woensdag 21 oktober 2015

Geboren worden en slapen, vrijen en thuiskomen Leonard Nolens

Geboren worden en slapen, vrijen en thuiskomen
Van een lange reis, dat doen hier velen 's nachts-
Ook doodgaan, maar dat is altijd pas voor straks.

Wij liggen op britsen en staren door een gat
Van weggeslagen tentzeil naar een tuin
Vol aangeharkte wolken en opgespitte sterren.

Dat hoge hemelpark is heel ons dak
Sinds wij hier wonen in omzwervingen en groeien
In de krimpende stap van verdwalende volken

Wij winden het daglicht om onze vinger
En spannen die springveer in onze nachtrust op.
En onze slaap is geen vergeten maar ascese.

zaterdag 17 oktober 2015

HET PENSIOENFONDS, ALGEMEEN BURGERLIJK Gerrit Komrij

Constant wijntjes, samenzijntjes,
Rookgordijntjes nooit omhoog.
Plannen smedend aanbestedend,
Handig met de elleboog:
Broeders zijt gij, dus gedijt gij,
Kwaliteitsvrij in het slijk.
Geen gezanik, denkend aan ‘ik’.
Eigenbaat maakt vindingrijk.
Luie stinkers, nooit uitblinkers -
Bij de pinken, roets-roets-roets,
Om serviel en zwaar te knielen
Voor de God Onroerend Goeds.
Smeergeld, reizen, vette spijzen,
Sekspaleizen, vaste prik
Deze wereld die carrièrelt,
maar die thuishoort in de lik.

zondag 30 augustus 2015

Als iemand mij nou maar Tjitske Jansen

Als iemand mij nou maar
had opgeraapt
en in zijn zak gestopt
en daar gelaten had,
dat af en toe een hand mij vond,
voelde hoe zacht ik was
en dan weer losliet.
Of op de vensterbank gelegd,
op 't nachtkastje,
in een rommeldoos.
De keukenla!
Ik heb nog nooit een reis gemaakt,
ik moest zo nodig wortel schieten.
Als iemand mij nou maar had opgeraapt,
er was niets aan de hand geweest,
ik was kastanjebruin geweest,
ik had geglansd, geglansd,
wat later was ik wat gaan rimpelen,
en dan, nou ja, maar nu,
nu moet ik onvrijwillig transformeren
en niet zo'n beetje ook.
En steeds als ik zo ongeveer
gewend ben aan mijn nieuwe vorm,
steeds als ik zo min of meer
geaccepteerd heb
dat ik ben zoals ik ben,
dan ben ik alweer anders.
En als het nu zo was dat ik gekozen had
om zo te zijn, dat ik het wilde:
steeds een ring erbij,
zoveel soortgenoten aan mijn takken
in hun veilig stekelhuis,
zo anders dan ikzelf,
maar wat weet ik het nog goed.

Ik heb het opgegeven
te zijn zoals ik ben.
Ik groei maar mee
met wie ik worden zal.
Af en toe hoor ik
Dat iemand zegt
Hoe mooi ik ben.
In mijn schaduw
gebeuren dingen
die de moeite waard zijn.

maandag 4 mei 2015

Neem mij tot je - Hanny Michaelis

Neem mij tot je
als brood. Drink mij,
adem mij in.

De binnenkant van je huid
zal ik kussen, je gebeente
verwarmen. Je hart
dat als een getergde vogel
tegen de kooi van je ribben slaat,
zal ik liefkozen zachter dan
het licht de toppen der bomen.

Om alles wat mij
niet langer lief kan zijn.
smeek ik je: lijf mij in.
Buiten jou kan ik niet leven.

Antjie Krog - ek staan op ’n moerse rots langs die see by paternoster

ik sta op een oerrots aan de zee bij Paternoster
de zee slaat slingers in de lucht
lichtgroen schuim
onverschrokken kijk ik elke donderse golf
in zijn pens voordat hij breekt
de rots siddert onder mijn zolen
mijn bovenbeenspieren spannen zich
mijn bekken ontdoet zich met geweld van de aangeleerde gelaten
knak
schijt aan alles ik ben rots ik ben steen ik ben duin
helder zingen mijn tieten een koperklepgeluid
mijn handen pakken Moordbaai en Bekbaai
mijn armen scheuren extatisch boven mijn hoofd:
ik ben
ik ben
de here hoort mij
een vrije vrouw verdomme

zaterdag 3 mei 2014

De zeer oude zingt Lucebert


er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

over wat poëzie Hannah van Wieringen


de hele grote onmogelijkheid van het enorme volle alles
die knappende ballon in je uitklappende gogogadget borstkas
die de aardbol omvat inclusief wereldzeeën
woestenijen van ver voor onze tijden
van ver voor de eerste kikkervis

dat ontsnapte gas van oermaterie
dat neer te halen met een mazig vlindernetje
koddige schep uit de lucht hop

en dan
die opgeschepte onmogelijke veelheid
verbinden aan het verbijsterend kleine niets
laten we zeggen

aan het sneeuwklokje in het aardewerken potje
dat in een vensterbank licht staat te verzamelen
als een pietà

bedaard het sneeuwklokje laten openklappen
pop zegt het klokje
open de tijd
adem uit

de stilte daarna
de afwezigheid van
dat geluid