zondag 8 november 2015

De val Esther Jansma

We kruisten de Styx.
De veerman lag dronken in zijn schip.
Ik hield het roer en we zonken als stenen.
Water bestaat als de aarde
in lagen, transparante linten, glanzende strata
van steeds kleiner leven, minder warmte.

In je haren bloeiden luchtbellen,
de stroom trok je hoofd naar achter
en streelde je hals.

Stenen wuifden met armen van algen en varens,
zongen zachtjes gorgelend "vrede".
Ze sneden je kleren los.

Vissen likten het bloed van je benen.
Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten
maar we vielen te snel en er zijn geen woorden

die zonder lucht bestaan, mijn liefde
bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,
de plaats markerend van het ongeluk

voordat ze verder dreven. Je mond ging open.
Je gezicht werd rood, je handen zochten
evenwicht, zochten mijn armen.

Je probeerde in me omhoog te klimmen.
Je was een glasblazer met een wolk van diamanten
aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.

Ik aaide je vingers.
Je liet niet los.
Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.

Ben Ali Libi Willem Wilmink

Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,
staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,
dus keek ik er met verwondering naar:
Ben Ali Libi. Goochelaar.
Met een lach en een smoes en een goocheldoos
en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
scharrelde hij de kost bij elkaar:
Ben Ali Libi, de goochelaar.

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
dat Nederland nodig moest worden verlost
van het wereldwijd joods-bosjewistisch gevaar.
Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In 't concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.

En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie,
denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,
hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.

zaterdag 7 november 2015

Epigram Frank Koenegracht

Mijn ziel is onzichtbaar en
stroomt aldoor
maar ik blijf zo kalm als een
raam op zondag
en in mijn verbeelding zit ik
tweemaal zo stil als jullie
denken
terwijl alles wat donker is
komt aansluipen
als een lange lelijke vlieg.
En al ons denken is als een
hondje
In de bocht van de weg

Langzame trein Frank Koenegracht

Het was winter. In de
langzame trein
sliep boven ons in het
bagagenet iemand
om te herstellen van zijn
eerste verdriet.
Buiten verschoof het platte
land. Het vroor.
Er lagen grote roestige
buizen
waar doorheen de
winterwind blies.
Daar lagen zij in het door
niemand bevroren land
als mannen zonder moeders.

woensdag 21 oktober 2015

Geboren worden en slapen, vrijen en thuiskomen Leonard Nolens

Geboren worden en slapen, vrijen en thuiskomen
Van een lange reis, dat doen hier velen 's nachts-
Ook doodgaan, maar dat is altijd pas voor straks.

Wij liggen op britsen en staren door een gat
Van weggeslagen tentzeil naar een tuin
Vol aangeharkte wolken en opgespitte sterren.

Dat hoge hemelpark is heel ons dak
Sinds wij hier wonen in omzwervingen en groeien
In de krimpende stap van verdwalende volken

Wij winden het daglicht om onze vinger
En spannen die springveer in onze nachtrust op.
En onze slaap is geen vergeten maar ascese.

zaterdag 17 oktober 2015

HET PENSIOENFONDS, ALGEMEEN BURGERLIJK Gerrit Komrij

Constant wijntjes, samenzijntjes,
Rookgordijntjes nooit omhoog.
Plannen smedend aanbestedend,
Handig met de elleboog:
Broeders zijt gij, dus gedijt gij,
Kwaliteitsvrij in het slijk.
Geen gezanik, denkend aan ‘ik’.
Eigenbaat maakt vindingrijk.
Luie stinkers, nooit uitblinkers -
Bij de pinken, roets-roets-roets,
Om serviel en zwaar te knielen
Voor de God Onroerend Goeds.
Smeergeld, reizen, vette spijzen,
Sekspaleizen, vaste prik
Deze wereld die carrièrelt,
maar die thuishoort in de lik.

zondag 30 augustus 2015

Als iemand mij nou maar Tjitske Jansen

Als iemand mij nou maar
had opgeraapt
en in zijn zak gestopt
en daar gelaten had,
dat af en toe een hand mij vond,
voelde hoe zacht ik was
en dan weer losliet.
Of op de vensterbank gelegd,
op 't nachtkastje,
in een rommeldoos.
De keukenla!
Ik heb nog nooit een reis gemaakt,
ik moest zo nodig wortel schieten.
Als iemand mij nou maar had opgeraapt,
er was niets aan de hand geweest,
ik was kastanjebruin geweest,
ik had geglansd, geglansd,
wat later was ik wat gaan rimpelen,
en dan, nou ja, maar nu,
nu moet ik onvrijwillig transformeren
en niet zo'n beetje ook.
En steeds als ik zo ongeveer
gewend ben aan mijn nieuwe vorm,
steeds als ik zo min of meer
geaccepteerd heb
dat ik ben zoals ik ben,
dan ben ik alweer anders.
En als het nu zo was dat ik gekozen had
om zo te zijn, dat ik het wilde:
steeds een ring erbij,
zoveel soortgenoten aan mijn takken
in hun veilig stekelhuis,
zo anders dan ikzelf,
maar wat weet ik het nog goed.

Ik heb het opgegeven
te zijn zoals ik ben.
Ik groei maar mee
met wie ik worden zal.
Af en toe hoor ik
Dat iemand zegt
Hoe mooi ik ben.
In mijn schaduw
gebeuren dingen
die de moeite waard zijn.