zaterdag 22 februari 2014
Mens Leo Vroman
Mens is een zachte machine,
een buigbaar zuiltje met gaatjes,
propvol tengere draadjes
en slangetjes die dienen
voor niets dan tederheid
en om warmer te zijn dan lucht.
Och, hij heeft ademzucht
en hart-arbeid.
Heeft hij een welvig lijfje,
hier en daar wat vetjes,
dan vindt hij iets niet netjes
en noemt zichzelf een wijfje;
bovenin zijn haarkleedje
draait hij dan vaak springveren.
Daar kan hij niet mee leren;
ze dansen alleen een beetje.
Het leren gebeurt in een kastje;
je mag dat niet openmaken,
wel teder, teder aanraken,
maar de rest van het zotte bastje
blijft ingepakt en bewaard,
want als het zich bepoedert,
ontwatert of ontvoedert,
ontroert, ontstemt, onthaart,
dan kruipt het een hokje in.
Een deurtje gaat op slot,
en het loopt niet naar buiten tot
het kleertjes heeft, kalmte, en zin.
Maar soms voelt het zich zoet;
het bekje prevelt: "trouwen",
het gladde buikje moet
een klein machientje bouwen.
God behoede de mens
en geve hem een zoen:
er is verder niets met hem te doen.
Streel zijn zoete pens,
want mens is een zachte machine,
een ingewikkeld liefje.
Verzilver zijn statiefje,
leid hem in een vitrine,
doe bij hem een lichtje aan.
Loop zachtjes om hem heen en
ga elders om hem wenen,
maar laat hem staan.
donderdag 30 januari 2014
Ze blijft ongrijpbaar, want zij Y.M. Dangre
Ze blijft ongrijpbaar, want zij
vermomt zich de hele tijd in een vrouw,
in een denker en in warm marmer
van Rodin of een stilleven, zo eentje
dat ik niet kan schilderen,
zo eentje als haar lijf van lente
niet te milderen.
Het is dan ook vergeefs, ze laat zich
niet boetseren, want haar huid
is van onwrikbaarheid en van meisjes
vol met sterren en stenen.
dinsdag 28 januari 2014
Over de dood, zonder overdrijving Szymborska
Gevoel voor humor heeft hij niet
en hij weet niets van sterren en bruggen,
van weven, mijnbouw en landbouw,
van scheepsbouw en taarten bakken.
In onze gesprekken over de dag van morgen
komt hij met zijn laatste woord,
dat nooit ter zake is.
Hij is zelfs niet goed
in wat rechtstreeks met zijn vak te maken heeft:
een graf delven,
een kist timmeren,
de rommel opruimen.
Druk bezig met doodmaken
doet hij het klungelig,
zonder systeem en routine.
Alsof hij het bij elk van ons nog leren moet.
Wie beweert dat hij almachtig is,
levert zelf het levende bewijs:
almachtig is hij niet
Er is geen leven dat nooit,
al was het maar een ogenblik,
onsterfelijk is geweest.
De dood
komt altijd dat ene ogenblik te laat.
Vergeefs rukt hij aan de knop
van de onzichtbare deur.
Wat iemand achter zich heeft,
kan hij nooit terugnemen.
niet wij rennen Helene Gelens
we denken aan doelloos aan ongeremd rennen
we rennen en rennen vertragen het beeld
zet af zweef en land
elke pas rolt van de hak
naar de bal van de voet naar de grote teen
elke afzet vol kracht elke pas wordt een sprong
zet af zweef en land zet af en zweef
we zweven en zweven in ongeremd rennen
we luchtklieven meer dan we grond raken
zet af zweef en land zet af en zweef land zet af
we denken ons doelloos ons ongeremd rennend
we lopen ons leeg het lijf tot een pijl
moeiteloos rennen we niets doet nog pijn
niet wij rennen
het pad rent
zaterdag 28 december 2013
Een witte ochtend, eerste dooi M. Vasalis
Een witte ochtend, eerste dooi
de lucht wit-grijs, egaal gespreid
en aan de lange horizon
welt nu een witte zon.
Geen wind, beweging of geluid.
Er botten waterdruppels uit;
aan iedre tak en iedre struik
zijn knoppen licht.
Een hartstochtsloze en totale aanwezigheid
maakt zich nu kenbaar en het is
of in een diepe adempauze van de tijd,
dichtbij, een pasgeboren kind
zich stil, volmaakt en ademend bevindt.
vrijdag 6 december 2013
Sneeuwmaker - Peter Holvoet-Hanssen
Er wordt te weinig sneeuw gemaakt. Soms nog in de
film, op een podium. De machines zijn zoek of heel
duur, denk ik. Maak ze goedkoop en dan is er nooit
gezeur over Witte Kerstmis. Overal en voor iedereen
het spinsel van witte vlokken. Tegen het lawaai.
Drinken mensen meer chocolademelk. Worden er
weer verhalen verteld. Dat maakt het winters leven
draaglijk en het oranje sneeuwlicht helder. Kwezels
zullen dansen, rochelpotten houden slijmjurken vast.
Ik zie het in mijn kristallen bol. Die zwarte snoet
wordt Zwarte Piet. Hij veegt het snot weg met zijn
mouw, zonder nostalgie: krijgt er sproeten van.
Ik hul de scharensliep in brokaat zonder tierlantijn.
Een tiaar op zijn zigeunerhoofd: krijgt engelenhaar.
Het licht in zijn ogen gloeit als in een oude jukebox.
De Perzische kat is verliefd op de knarsende viool.
De klok staat er stil van, ligt te snorren bij de stoof.
Plop, een sneeuwbal in de nek van de edelman.
En plop, eentje op de kont van de bakkersvrouw.
Vader en moeder schaatsen niet meer mee.
Waar is de orgelman? En waar is mijn slee?
Schemerschijn. Een uitgeputte hermelijn.
Ik moet de sneeuwmannen reanimeren.
Vals ijs pletten en massagraven dempen.
Schud mijn dons leeg van den hogen hemel neer.
Nu ben ik leeggeschud. Eindeloos moe.
Ik wacht op de markiezin van Orion.
Ver weg van de vossenjacht.
Kom sneeuw, dek mij toe.
woensdag 4 december 2013
Where the Sidewalk Ends - Shel Silverstein
There is a place where the sidewalk ends
And before the street begins,
And there the grass grows soft and white,
And there the sun burns crimson bright,
And there the moon-bird rests from his flight
To cool in the peppermint wind.
Let us leave this place where the smoke blows black
And the dark street winds and bends.
Past the pits where the asphalt flowers grow
We shall walk with a walk that is measured and slow,
And watch where the chalk-white arrows go
To the place where the sidewalk ends.
Yes we'll walk with a walk that is measured and slow,
And we'll go where the chalk-white arrows go,
For the children, they mark, and the children, they know
The place where the sidewalk ends.
Abonneren op:
Posts (Atom)